Nadat de vrieskou uit de lucht was en de sneeuw onder een voorzichtig zonnetje wegsmolt, pakte ik de fiets voor een tochtje langs de grindgaten. Een hardnekkige longontsteking had me lang genoeg binnen gehouden en ik snakte naar de frisse buitenlucht. De aanvankelijke weerstand tegen het graven van de metersdiepe grindgaten langs de Maas ten koste van vele hectaren landbouwgrond behoort inmiddels wel tot het verleden. De grindboeren hebben zogezegd goed geboerd met het winnen van vele tonnen kiezelstenen in allerlei soorten en maten, maar wij hebben in ruil hiervoor een schitterend en afwisselend landschap gekregen waar waterflora en -fauna prima gedijen, en dat zich uitstekend leent voor recreatie op het water in allerlei variëteiten.
Op zo’n fietstochtje zie je nog eens wat. Bij de Oolderplas passeerde ik een landtong waarop ca. 30 peperdure huizen staan, gebouwd in de kenmerkende stijl van de Amerikaanse westkust. Witte tuinhekjes markeren de typische houten veranda’s en je ruikt als het ware bij het langsfietsen de geur van scrambled eggs of een eitje sunny side up gebakken. Om hier te kunnen wonen moet je stevig de beurs trekken; ik denk dat je hier pas dik boven het miljoen trotse eigenaar wordt. Frappant vond ik dat aan de rand van de landtong, waar de fietsers het exclusieve woongebied passeren, een waarschuwingsbord voor het langsrijdend fietsverkeer stond. Het grote gele bord vermeldde met kapitale letters LET OP: FIETSPAD. En meteen daaronder, in hetzelfde formaat en tussen haakjes (FIETSERS).
Mijn eerste gedachte was dat de bewoners van deze rijke enclave óf zelf niet al te slim waren óf niet zo’n hoge pet op hadden van minder bedeelde stervelingen die om een of andere reden bij hun mooie stulpje moesten zijn.
Je hoeft toch niet het intellect van een Einstein te hebben om te weten of op zijn minst te vermoeden dat op een fietspad fietsers fietsen, daaronder begrepen bakfietsers, racefietsers, e-bikers, fat-bikers en fietscombinaties met een aanhangwagentje waarin een schattig poedeltje met strikjes in het haar. Als je er dan voor kiest om zo omslachtig voor fietsers op het fietspad te waarschuwen, noem dan ook maar alle categorieën zodat niemand zich gepasseerd voelt.
Begrijp me goed, ik gun deze mensen echt wel hun mooie woongebied, maar de contrasten in onze maatschappij zijn soms erg groot. Vooral in de wintertijd zie je dat wonen of tenminste een slaapgelegenheid niet voor iedereen gemakkelijk is, met de dakloze -de vroegere vagebond- als grootste pechvogel. In de ijzige kou vindt hij niet altijd een warme slaapplek en hij is nog strafbaar ook. Toevallig stuitte ik kortgeleden op het Feitenboekje van het Openbaar Ministerie. Daarin worden allerlei overtredingen benoemd met bijhorende straffen of boetes. Je staat ervan te kijken hoe gedetailleerd onze overheid zogenaamde misstanden benoemt. Vaak zou je wensen dat consequente handhaving hiervan plaatsvindt, zeker waar openbare geweldpleging in het geding is. Dat gebeurt of lukt zelden of nooit, maar sommige gemeentes focussen zich wel op mensen die letterlijk geen dak boven het hoofd hebben. Het oude Wetboek van Strafrecht (1886) meldde een verbod op landloperij (buiten slapen), bedelarij en souteneurs (pooiers). Deze Trias Vagabundica is pas afgeschaft in 1999 maar toen wel in een modern jasje gegoten.
Een dakloze kan herhaaldelijk beboet worden voor buitenslapen. Die boetes, inclusief allerlei opslagen voor te laat betalen, zijn natuurlijk oninbaar want de dakloze heeft geen vast woonadres en trouwens ook geen rooie cent. Lukt het hem of haar het leven weer een beetje op de rails te krijgen en een vaste woonplek te verwerven, dan staat de overheid snel voor de deur met de openstaande rekeningen uit het verleden. Het Feitenboekje heeft immers gesproken en het vergeet niet.
De dakloze wordt niet alleen nooit een kwartje, hij moet zelfs nog vrezen voor zijn laatste dubbeltje.
