Column John Hölsgens: #Doeslief

Leudal

Ik heb me de afgelopen jaren regelmatig afgevraagd wat er voor nodig zou zijn om de mensen weer wat nader tot elkaar te brengen. Wat er zou moeten gebeuren om iedereen weer een beetje te herinneren aan de meest basale omgangsvormen, waardoor het gewoon wat prettiger samenleven is? Je moet dat breed zien: het varieert van richting aangeven op een rotonde tot vriendelijk gedagzeggen op straat. Van geen snoeihard bonkende stereo-installaties in de slaapkamer of onder de snelbinder van de fiets, tot het niet terug de trein induwen van uitstappende reizigers omdat jij naar binnen wilt. En alles wat daar zo’n beetje tussenin ligt.



U voelt waar ik naartoe wil: je zou verwachten dat door de crisis rond het C-woord, mensen in hun angst en onzekerheid weer meer steun bij elkaar gaan zoeken. En ik weet ook zeker dat dit op veel plaatsen het geval is. Al duurde het bij de één misschien wat langer dan bij de ander. Vooral de twitterende en facebookende medemens had wat tijd nodig, voor hij in de gaten kreeg dat het weinig zin heeft om alles en iedereen de schuld te geven van de verstoring van ons comfortabele leventje. Dat was blijkbaar wat lastig in het geval van een virus, dat geen onderscheid maakt in slachtoffers en evenmin het concept van grenzen kent. Op het moment van schrijven zit geloof ik alleen de president van de Verenigde Staten nog in die ontkenningsfase, maar dat mag onderhand geen verrassing meer heten.



Nu heb ik een beroep waardoor ik voornamelijk toch al thuis werk, dus veel veranderde er in dat opzicht niet aan mijn persoonlijke situatie. Wat duidelijk wel veranderde was de manier waarop er tegen mijn bezigheden werd aangekeken op die reeds genoemde media, die met het woord ‘sociale’ nog altijd voorzien zijn van het meest misplaatste bijvoeglijk naamwoord in de historie van het mensdom.

 

 

Natuurlijk moest ik het vakmatig nu ook over iets anders hebben dan alleen onenigheid binnen de gemeenteraad, het groenonderhoud in Roggel of een vogelbeurs in Ittervoort. In minder dan geen tijd was ik echter voor de één onderdeel van de ‘mainstream media’, hetgeen ik inmiddels als een groot compliment beschouw, dat begrijpt u. In de ogen van die nieuwsconsumenten behoorde ik zonder enige twijfel tot een geheim genootschap, dat een schimmig complot onder het tapijt wil vegen. Voor de ander was ik niet professioneel omdat ik weigerde privacygevoelige informatie te delen bij de gedigitaliseerde dorpspomp. En zoals gebruikelijk zaten hele volksstammen ineens op de stoel van medici, politici, journalisten én wetenschappers. Voor een mening heb je in 2020 immers geen enkele kennis of kunde meer nodig.

 

 

Ik geloof echter dat we, gedwongen door de omstandigheden, bezig zijn die fase een beetje achter ons te laten. En gelooft u mij alstublieft wanneer ik schrijf dat ook ik liever had gehad dat de ellende die COVID-19 gebracht heeft, ons bespaard was gebleven. Maar omdat ik iemand ben die leeft van hoop, put ik moed uit de vele blijken van zorgzaamheid en liefde voor elkaar die nu zelfs op die door mij zo bekritiseerde kanalen steeds meer doorklinken.

 

 

Zou het dan toch zo kunnen zijn dat, wanneer deze crisis overwonnen wordt, er wellicht ook meer begrip ontstaat voor anderen? Voor mensen waarmee we misschien niet meteen een bloedverwantschap hebben, maar met wie we deze kwetsbare planeet delen? Omdat we geleerd hebben dat grenzen bedacht zijn? Omdat we beseffen dat er mensen op de vlucht zijn die niet thuis kunnen werken, aangezien dat thuis niet meer bestaat?
 


Wat zou het goed zijn als we straks niet meer hoeven te kijken naar de beroemde foto van die ‘pale blue dot’ die daar ergens in de ruimte zweeft, om in te zien hoezeer we op elkaar aangewezen zijn. Dan hebben we waarschijnlijk ook geen campagne van Sire meer nodig, om ons te vertellen dat we een beetje lief tegen elkaar moeten doen. Dat zou dan niet alleen een heel prettige bijkomstigheid zijn, maar op zichzelf al een pure zegening...