ColumnsBen Ubachs

Column: Sint en Claus, door Ben Ubachs

Midden Limburg

Inmiddels heb ik al heel wat decembermaanden beleefd en alle vieringen doorstaan die de laatste maand van het jaar haar karakter geven. Met het klimmen der jaren slijt de opwinding over het geschenkenspektakel dat in december over ons wordt uitgestort.

 Ouderdom veroorzaakt onherroepelijk erosie, hoewel het geven en het krijgen van cadeautjes natuurlijk zeker zijn charme heeft.

Zonder twijfel maakt de decembermaand, en dan vooral Sinterklaas, de allergrootste indruk op het jonge kind. Peuters en kleuters kunnen zo heerlijk onbevangen en vol overtuiging de Sint en de Kerstman tegemoet treden. Op zo’n onwrikbaar geloof zou je bijna jaloers worden. Logica en rationeel denken brengen niet alleen maar voordelen. Zij pellen de mystiek van het ongrijpbare en soms wonderlijke onbekende af tot een fantasieloze nuchterheid. Zo bezien moeten we daarom altijd het kind in ons levend zien te houden.

Vroeger was het Sinterklaasfeest voor mij de knaller van het jaar. In een gezin met zes kinderen, met alleen pa als kostwinner, was het passen en meten om de week door te komen. Wanneer pa thuiskwam met het bruine envelopje waarin het weekloon zat, voelde je als het ware bij je ouders de even wegvallende druk. In de jaren vijftig van de vorige eeuw lag het land van melk en honing heel ver van ons af. Het was toen voornamelijk sappelen. 

Speelgoed was schaars; je speelde vooral met je fantasie. Des te meer keek je uit naar Sinterklaas wanneer de poort naar het speelgoedwalhalla zich even opende.

 Een autootje (nog wel een echte dinky toy), een spel van bordkarton om met een magneet naar visjes te hengelen, een rijkelijk gevuld bord met snoep en mandarijntjes, en niet te vergeten nieuwe handschoenen en gebreide sokken als extra opvulling van het cadeaupakket. Elk jaar opnieuw stonden zes blije broertjes en zusjes met kloppende kinderhartjes in alle vroegte op de trap van onze kleine naoorlogse woningwetwoning te popelen van ongeduld totdat de deur van de woonkamer open ging en zich de magie van nieuw speelgoed ontvouwde.

Behalve de Goedheiligman is er natuurlijk de Kerstman, oftewel zijn alter ego, de uit de Verenigde Staten overgewaaide Santa Claus. Nu ben ik de allerlaatste die zal beweren dat er uit de V.S. alleen maar goeds komt (zo zal ik bijvoorbeeld nooit met Donald de Verschrikkelijke gaan knikkeren) maar Santa Claus staat niet zonder reden hoog op de populariteitsladder. Probeer maar eens elk jaar met als startlocatie het ijskoude Lapland door de lucht en met een arrenslee volgeladen met cadeautjes de halve wereld te bevoorraden. Met de stoomboot heeft de Sint dan toch wat meer pakjesruimte. Al in november, voor de verjaardag van Sinterklaas, worden her en der huizen overvloedig voorzien van kerstverlichting. Het lijkt wel alsof de viering van de geboorte van het kindje Jezus naar voren wordt gehaald. Een vreemd fenomeen in een tijd van ontkerkelijking. Het verlangen naar een hoger mysterie neemt kennelijk toe naarmate we er verder van verwijderd raken.

In vroegere winters, met krakende sneeuw onder gewatteerde laarzen en de mooiste ijsbloemen op flinterdun raamglas, was er thuis met Kerst het licht van druipkaarsen. Weinig licht maar heel veel om naar uit te kijken. Een enkel snoertje kerstverlichting met gekleurde lampjes sierde de naar vers dennenhars geurende kerstboom. Naar dennennaalden moet ik vandaag de dag zoeken. Een boom met afvallende dennennaalden houdt het moeilijk vol tot Driekoningen en we willen steeds vaker gemak en perfectie. Zelf zijn we drie jaar geleden overstag gegaan en hebben zo’n kunstboom gekocht. Hopelijk zijn de gekleurde stickertjes aan de kunsttakken dit jaar weer blijven plakken. Het opzetten van het plastic vehikel wordt anders een gigantisch gepuzzel.  Zo nodig val ik terug op een echte boom. Echt als alternatief van namaak. Feitelijk idioot.

 

Ben Ubachs

Ben Ubachs werd geboren in Maastricht. Hij was journalist, ondernemer en is nu freelance schrijver. Sinds 2013 woont hij in Baexem. Daar kijkt hij met af en toe gefronste wenkbrauwen om zich heen. Mild en humorvol, af en toe ook wat scherper, legt hij in HALLO Magazine zijn indrukken vast en houdt de lezers een spiegel voor. Feiten en fictie vullen elkaar daarbij naadloos aan.