22 feb 2021VerhalenLeon Moonen

HALLO Historie: De Stolperstein van Jeanette Passmann-Vogelsang    

Midden Limburg

Zodra de coronacrisis voorbij is gaat de gemeente Leudal de eerste zogeheten Stolpersteine leggen.  Het project Stolpersteine is een initiatief van de Duitse kunstenaar Gunter Demnig om in geheel Europa de slachtoffers van het Derde Rijk via kleine, maar talrijke individuele monumentjes te herdenken.

De betonnen steentjes met de gestanste messing plaatjes met daarop naam, geboortedatum, deportatiedatum en plaats en datum komen in het trottoir voor de vroegere woonhuizen van de slachtoffers te liggen.

De gemeente Roermond schenkt al sinds maart 2019 met dergelijke struikelstenen aandacht aan de vervolgden van de Nazi’s. We pikken er eentje uit en duiken in het ongelofelijke verhaal van Jeanette Passmann-Vogelsang. Haar Stolperstein ligt, samen met die van haar man, voor de Wolkyshop aan de Schoenmakersstraat 5 in het winkelcentrum van Roermond.

 

Jeanette Vogelsang is in 1878 uit joodse ouders geboren in Gelsenkirchen, een stad in het Duitse Ruhrgebied. Zij trouwt met de eveneens joodse koopman Hermann Passmann en het echtpaar krijgt twee kinderen: zoon Kurt en dochter Ilse. Al in 1934, één jaar na de 'Machtergreifung' door Hitler, maar nog voor de uitvaardiging van de Rassenwetten van Neurenberg, slaat het echtpaar op de vlucht naar Roermond in Nederland. Ze vestigen zich aan de huidige Schoenmakersstraat 5, waar haar man reeds in 1935 op 65-jarige leeftijd komt te overlijden. Na de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 lukt het zoon Kurt met een Nederlandse officier het Kanaal over te steken naar Engeland, waar de Britten hem in eerste instantie interneren in Canada. Dochter Ilse is al in 1934 met haar kersverse man geëmigreerd naar de USA. Beiden weten daardoor uit de handen van de Nazi's te blijven en overleven de oorlog. Dat geluk is hun moeder Jeanette echter niet beschoren. Op 2 augustus 1942 worden de eerste Roermondse joden afgevoerd om zogenaamd te gaan werken in Oost-Europa.

 Om geen argwaan te wekken over het werkelijke doel, vernietiging in een kamp, roepen de Nazi's in Limburg eerst de jonge en arbeidskrachtige joden op. De inmiddels 64-jarige Jeanette zal niet deze eerste oproep hebben ontvangen, maar over de bedoelingen van de Nazi's maakt ze zich geen enkele illusie, nu de strop voor de Limburgse joden langzaam wordt aangehaald.

De weduwe uit Roermond neemt dan ook voor de tweede maal in haar leven het besluit om te vluchten en betaalt een royaal bedrag (10.000 gulden) aan een mensensmokkelaar, die haar belooft naar Zwitserland te brengen. De besneeuwde  bergtoppen van de Alpen krijgt Jeanette spijtig nooit te zien, want al in België loopt ze tegen de lamp en wordt ze overgebracht naar de Dossinkazerne in Mechelen (de Belgische equivalent van het Nederlandse  'Judendurchgangslager' Westerbork).Na een hechtenis van twee maanden wordt Jeanette op 19 april 1943 op transport naar Auschwitz gesteld.

In dit vernietigingskamp wordt ze, vermoedelijk vanwege haar vermeende 'joodse uiterlijk', uitgekozen voor een zeer luguber antropologisch tentoonstellingsproject van de SS-organisatie 'Ahnenerbe'

: een pseudowetenschappelijk instituut dat het als haar belangrijkste onderzoekstaak rekent om de superioriteit van het zogenaamde Arische ras te bewijzen. Op 30 juli 1943 wordt Jeanette met 85 andere geselecteerde joden naar het concentratiekamp Natzweiler-Struthof in de Elzas gedeporteerd.

De groep wordt voorgehouden dat ze naar een beter kamp verhuizen. Dat blijkt een aperte leugen te zijn. Enkele dagen na aankomst worden de gevangenen in de kleine gaskamer van dit kamp beestachtig vermoord. Hun lijken worden naar een beoogd museum bij de Reichsuniversität van bezet Straatsburg overgebracht, waar het de bedoeling is ze als joodse schedel- en skelettenverzameling aan de reeds bestaande anatomische collectie van de universiteit toe te voegen. Apparatuur en benodigdheden om de botten te "ontvlezen" ontbreken echter en de dode lichamen worden daarom voorlopig geconserveerd.
 

De oorlog verloopt slecht voor Duitsland. Van een museale preparatie is het dan ook niet meer gekomen. Na de bevrijding van Straatsburg  op 23 november 1944 vinden de geallieerden in de anatomiekelder van de universiteit 16 complete en 70 versneden lijken. De bevrijders tasten in het duister over de namen van de vermoorde joden, omdat de Nazi-wetenschappers al het bewijsmateriaal zorgvuldig hebben vernietigd. Uiteindelijk komen alle lijken terecht in een anoniem massagraf op de joodse begraafplaats van Straatsburg-Cronenbourg. Maar een Elzasser medewerker van de universiteit blijkt heimelijk de getatoeëerde kampnummers te hebben genoteerd en dankzij deze informatie lukt het begin 1970 om het eerste slachtoffer te identificeren.

 

Het heeft echter nog tot 2003 geduurd, voordat alle slachtoffers een naam hebben gekregen en er een monument met alle 86 namen bij het massagraf wordt onthuld.

 

De slachtoffers blijken uit 8 Europese landen afkomstig te zijn. Voor de kinderen van Jeanette komt deze onthulling te laat. Kurt is in 1990 overleden en Ilse in 1989.

De speurtocht naar de namen van de 86 geselecteerde joden heeft de Duitse journalist en historicus Hans-Joachim Lang beschreven in zijn boek ‘Die Namen der Nummern’.

 

 

Foto’s: archief Leon Moonen