11 okt 2019VerhalenLeon Moonen

HALLO Vrijheid/ Interviewreeks: In de voetsporen van opa Sjaek en zijn broer Faös

Leudal

75 jaar na de oorlog


Interviewreeks over hoe de Tweede Wereldoorlog zo vele jaren na het einde nog steeds een rol speelt in het leven van Limburgers.

IN DE VOETSPOREN VAN OPA SJAEK EN ZIJN BROER FAÖS

Tom van Herten (55) uit Beegden bezocht in Duitsland de plekken waar zijn opa Sjaek van Herten en diens broer Faös na de Grote Kerkrazzia van 8 oktober 1944 naar toe werden gedeporteerd.

Via mijn oom Har, een broer van mijn vader, kwam ik in 2014 in het bezit van een stapeltje briefkaarten met postzegels van Hitler erop. Het bleek om een correspondentie te gaan die mijn opa Sjaek van Herten had ontvangen van zijn broer Faös. Beide broers waren op de beruchte zondag 8 oktober 1944 tijdens de Grote Kerkrazzia als dwangarbeiders opgepakt en gedeporteerd naar Duitsland. Opa Sjaek werd opgepakt in de kerk van Horn, waar hij woonde en een gezin met 5 kinderen had.  Faös, zijn broer, was pas getrouwd en werd in de kerk van zijn woonplaats Beegden opgepakt.

Faös kwam terecht op een boerderij in Tündern bij Hamelen aan de Weser. Mijn opa Sjaek heeft eerst in een suikerbietenfabriek in de buurt van Braunschweig gewerkt en moest na de bietencampagne met de schop drainage-werkzaamheden verrichtten in het kleine dorpje Delve in de regio Sleeswijk-Holstein. Postverkeer met de thuisbasis in bevrijd Limburg was natuurlijk onmogelijk, maar in Duitsland konden ze elkaar wel schrijven. Mijn opa heeft de brieven van zijn broer bewaard. Waar de brieven zijn gebleven die hij op zijn beurt aan Faös heeft geschreven is niet bekend. Dat ze er wel moeten zijn geweest, kun je opmerken uit de brieven van Faös waarin hij reageert op wat mijn opa heeft geschreven. In de brieven vertelt Faös hoe het met hem ging op die boerderij in Tündern en proef je ook het verlangen naar huis.  

Iedere voorjaarsvakantie ging ik met Lei van Herten, zoon van Faös en tevens een goede vriend, samen met onze vrouwen een weekendje weg. Na het lezen van de brieven waren we nieuwsgierig geworden naar de boerderij van Faös en besloten we op de bonnefooi naar Tündern te reizen. Bij aankomst bleek het afzenderadres van de brieven niet meer te bestaan omdat het plaatsje helemaal in de stad Hamelen is opgegaan, maar bij de plaatselijke ‘Tourist-Information’ wisten ze ons het huidige adres te vertellen.

Toen wij op het erf van de boerderij aankwamen zagen wij een oudere dame, die ons hartelijk ontving en zich nog zeer goed de broer van mijn opa kon herinneren.

 Zij vond Lei precies op zijn vader lijken. De boerderij was in de oorlog van haar vader geweest. Op de boerderij was een tekort aan arbeidskrachten, omdat haar vader en haar broer naar het front waren gestuurd. Vandaar dat ze dwangarbeiders uit Nederland hadden gekregen. Maar op de boerderij verbleven ook inwoners uit Hannover omdat hun huis kapot was gebombardeerd en vluchtelingen uit Oost-Pruisen op de vlucht voor het Rode Leger. Een aantal van hen zijn zelfs tot ver na de oorlog op de boerderij gebleven.

Uiteraard was ik ook erg geïnteresseerd naar de deportatieplek van mijn opa, maar door omstandigheden heb ik pas vorig najaar de reis naar Delve tegen de grens van Denemarken gemaakt. Helaas was Lei daar niet meer bij, omdat hij in 2017 is overleden. Deze keer had ik mijn bezoek aangekondigd en werden we door de nazaten van de boer waar mijn opa had gewerkt, ontvangen met een voortreffelijk diner waarvoor het beste servies uit de kast was gehaald.

Ook hier was de mannelijke bevolking in de oorlog verplicht naar het front gestuurd en moesten dwangarbeiders de opengevallen plekken innemen.

De dwangarbeiders sliepen wel niet op de boerderij, maar werden ’s avonds naar een gemeenschapshuis gebracht waar ze onder bewaking de nacht doorbrachten.

Onze Duitse gastgevers vonden het jammer dat we niet jaren eerder zijn langsgekomen, zodat we met ooggetuigen hadden kunnen praten, die helaas zijn overleden. Maar van de andere kant was er ook het besef dat we nu ongedwongen en zonder schuldgevoel over de Nazitijd konden praten, waar zij natuurlijk part noch deel aan hebben gehad. De poststempel van de laatste brief van Faös aan Sjaek is gedateerd op 28 maart 1945. We hebben ons er over verbaasd dat in een ontredderd Duitsland dat helemaal uitgeteld op de vloer lag, nog de post werd bezorgd.

Mijn opa heeft na de oorlog geen voet meer op Duitse bodem gezet. Hij keek ook niet naar de Duitse tv-zenders, die vroeger toch het merendeel van het zenderaanbod uitmaakte. Zijn broer Faös koesterde geen rancune jegens de Duitsers. Hij was zelfs fan van de Duitse voetbalclub Bayern-München. Maar hij is nooit vergeten hoe fanatiek ze in de oorlog waren. Toen in 1974 Nederland tijdens de WK-voetbalfinale met 1-0 voor kwam te staan, heeft hij geroepen dat Oranje ging verliezen want Duitsers geven nooit op. 

De deportatieplaatsen die ik heb bezocht hebben mij geïnspireerd tot het maken van het gedicht Vriejheid,

dat ik dit jaar op 4 mei tijdens de Dodenherdenking in een besloten kring heb voorgedragen.

 

Tekst en interview: Leon Moonen

 

 

Vriejheid

Met het bulderend geluid van de vriejheid, leet gae uch neet mieër knechte
De geallieerden rökdje op, ze waren väör os aan het vechte 
Zou Midden Limburg weldra de vriejheid gaon belaeve
Volhaoje, de wrede bezètting doertj nog mèr aeve

 

Tot dae verrekdje 8e oktoeaber op dae zunjigmörge
Biejein gedreve oet het niks, kwaome noewe zörge
Mèt het gewaer in de rök, te voot nao Remunj
Alles achterlaotendj, femielie en väöl vrunj

 

De werkelijkheid most gae nog laote bezinke
Waas er gein plaats mieër om vriej te dinke
Door de agressieve drök van Duitse taegestandj
Dwangarbeid in het verschiet, wirke väör de vijandj

 

Noodgedwongen most gae en masse vertrèkke
Plare biej de vraemdje om mèr neet te hove te verrèkke
Op 16 november waas Midden Limburg vriej
Nog lang neet väör uch, gae waas dao neet biej

 

In mei ’45 pas, laag de Pruus op de knieë
Gao höbtj dao nog maondje motte lieje
Kwome de meiste gelökkig gezondj weer trök
Behuurdje oeteindelijk de vriejheid ouch tot eur gelök.

 

Gedicht:  Tom van Herten