2 feb 2022VerhalenLeon Moonen

Het verdwenen kasteel Osen

Heel / Gemeente Maasgouw

Als er een plek in Midden-Limburg is waar de geschiedenis letterlijk door het water is weggespoeld, dan is dat wel Osen bij Heel. Van oorsprong is het gebied eigenlijk een schiereiland in een hoefijzervormige bocht van de Maas in het landschap, de zogeheten Lus van Linne. Het vergt veel fantasie om verpozend aan de oevers van het sluiskanaal de situatie van vroeger voor de geest te halen. Er is werkelijk geen enkel aanknopingspunt. Een bezoeker die de geschiedenis van het gebied niet kent zal dan ook hogelijk verbaasd zijn als hij te horen krijgt, dat op de plek van het huidige sluiscomplex Linne ooit een kasteel heeft gelegen. Uit een koopakte van 1887 blijkt dat het kasteel inclusief landgoed maar liefst 300 hectare omvatte, dus ongeveer 600 voetbalvelden groot was. Het lanenstelsel uit de 18de eeuw dat het landgoed doorkruiste was uniek voor Limburg.

 

De eerste vermelding van Osen vinden we in een leenregister uit 1326. Gelegen op de linkeroever van de Maas was het landgoed eigenlijk een enclave van het hertogdom Gelre. Deze oude leenband verklaart waarom Osen bestuurlijk altijd tot het eveneens van oorsprong Gelrese Linne heeft behoord, ook al lag dit dorp aan de overkant van de Maas. Tot 1976, want in dat jaar werd de bestuurlijke band met Linne verbroken toen het buurtschap op uitdrukkelijk verzoek van de bewoners bij de gemeente Heel werd gevoegd, immers gelegen aan dezelfde kant van de Maas. Kerkelijk heeft Osen trouwens altijd al tot de parochie Heel behoord. Osen, Linne en Heel zijn tegenwoordig kernen van de gemeente Maasgouw. Er zit natuurlijk geen historische opzet achter dat het gemeentehuis van deze fusiegemeente op de rechteroever van de Maas in Maasbracht is gelegen, maar je zou kunnen beweren dat voor Osen de oude bestuurlijke situatie enigszins weer hersteld is. Enfin, in de 17e eeuw komt het landgoed vermoedelijk door een vererving in de vrouwelijke lijn in handen van de familie Van Meer.

 

En omdat de Van Meers ook daadwerkelijk op het kasteel gaan wonen, gaan ze zich Van Meer-d'Osen noemen en meten ze zich de baronstitel aan. Maar het duurt tot 1842 voordat de één na laatste bewoner van het kasteel, Frederick van Meer-d'Osen, door koning Willem II in de adelstand wordt verheven. Deze late erkenning is vooral te wijten aan het feit dat in het koningsloze tijdperk, beginnend met de opstand tegen de Spaanse koning Filips II in 1568 en eindigend met de instelling van de Oranje-monarchie in 1815, geen enkel geslacht deze eer te beurt is gevallen. De dochter van deze Frederick, barones Emilie Josephina, trouwt in 1844 met graaf De Geloes. De barones sprak overigens amper Nederlands (laat staan dialect) maar Frans, zoals het in die tijd in de hogere kringen gebruikelijk was. Als ze dan eens Nederlands sprak dan leidde dat soms tot komische situaties. Zo was ze blijkbaar erg trots op de fruitbomen in haar Engelse tuin. Echter de lofuiting kwam nogal dubbelzinnig en uiteraard niet zo bedoeld uit haar mond: "Er is niets lekkerder dan mijn pruim. Echt Engels pruim." Of de keer dat ze door de ruwe stuurmanskunst van haar koetsier met rijtuig en al uit de bocht vloog en verfomfaaid en krabbelend overeind kwam en sprak: "Niets gezien van het geding," waarvan het nog steeds onduidelijk is wat ze daar nou mee bedoelde.

 

Maar eigenlijk verbleken deze anekdotes over de barones bij de geruchten over haar man. Graaf De Geloes was namelijk een verwoed kaartspeler, waarbij hij vrouwe Fortuna helaas niet aan zijn zijde trof. Een verhaal beweert zelfs dat hij in één nacht een molen, een griend (land langs een rivier met wilgen begroeid) en nog andere bezittingen aan de kaarttafel verloor. Een echo aan deze buitensporige gokpartijen van de graaf was tot ver in de twintigste eeuw nog te horen in het plaatselijke spreekwoord: ‘Ut geit neet om de Oosder griend’ (vertaling: Het gaat niet om de Oosder griend), waarmee boeren uit Heel wel eens hun verkooponderhandeling afsloten. Wat er ook van deze vertelsels waar mag zijn, feit is dat de graaf in zijn leven diverse kastelen van de hand heeft gedaan. Het zijn de kastelen Oud-Buggenum in Grathem (verkocht aan boterhandelaar Willem Verbruggen uit Luik, die oorspronkelijk in Grathem was geboren), Kasteel Exaten in Baexem (verkocht aan Jezuïeten uit Duitsland op de vlucht voor de Kulturkampf van Bismarck), en kasteel Elsloo in Elsloo (verkocht aan een consortium met als belangrijkste aandeelhouder H.L. Jurgens, wiens familie mede aan de wieg heeft gestaan van de multinational Unilever). Aan dit laatste consortium werd in 1887 ook kasteel Osen verkocht, waar we in het begin van dit verhaal al de koopakte van tegenkwamen. Na de verkoop werd het kasteel niet meer bewoond en raakte onvermijdelijk in verval. Al gauw kondigde zich een nieuwe tijd aan. Er lagen kolen in Zuid-Limburg en om deze naar de rest van Nederland te verschepen werd de Maas rechtgetrokken en gekanaliseerd. Dus ook de Lus moest er aan geloven en op het landgoed werd in 1920 begonnen met de bouw van een sluis en een stuw. Het verwaarloosde kasteel moest wijken, maar gaf zich echter niet zomaar gewonnen. De hulp van de Genie was nodig om de zeer sterke funderingen op te blazen. Osen en omgeving bleken ook rijk aan delfstoffen te zijn, namelijk grind en zand. Het vormde de opmaat voor een decennialange ontgrinding van het Osense landschap. Tussen de bedrijven door werd begin jaren zeventig ook nog het Lateraalkanaal tussen Linne en Buggenum gegraven, waardoor Osen helemaal op een eiland kwam te liggen. En toen de ontgrinders uiteindelijk vertrokken, bleven met water gevulde grindgaten achter die ontwikkeld werden tot recreatie- en natuurgebieden. Osen was binnen een eeuw onherkenbaar veranderd.

Wat herinnert er in onze tijd nog aan het aristocratische verleden van Osen? Met restanten van het kasteel is naast Jagerslust, de voormalige woning van de jachtopziener van Osen, een schuur gebouwd. Verder heeft de familie Van Meer-d'Osen een gebrandschilderd raam aan de parochiekerk van Heel geschonken. De band van de familie met de St. Stephanuskerk is altijd innig geweest. Er liep zelfs een apart wandelpad van het kasteel naar de kerk, die alleen door de adellijke familie gebruikt mocht worden en daarom ook het Herenpad werd genoemd. Tevens vinden we op het kerkhof van Heel enige grafstenen van de familie. Maar ook galmt regelmatig een auditieve herinnering aan het oude Osen over het dorp Heel. Het is het geluid van het trumpklokje in de kleine toren van de kerk dat is geschonken door de gravin van Osen.

 



Tekst en foto's: Leon Moonen

Met dank aan Wim Coolen van heemkring Heel en het boek Rondom de Toren.