ColumnsBen Ubachs

Column: Andere tijden, door Ben Ubachs

Midden Limburg

In de krant las ik dat hotel-restaurant De Beukelaer in Roggel in mei van dit jaar gaat sluiten en mijn gedachten dwaalden onherroepelijk af naar vroeger. De eerste stappen die ik in Midden-Limburg zette, waren begin 70-er jaren van de vorige eeuw in Roggel. Een Maastrichtenaar op vrijersvoeten komt nog eens ergens. In mijn pruttelende witte Volkswagen Kever reed ik -haastig op weg naar mijn lief- talloze malen langs de Beukelaer, centraal in het dorp gelegen, vlak naast de imposante kerk waarin we ook zijn getrouwd. In die kerk deed de zegen van mijnheer pastoor aan het eind van de zondagse hoogmis zijn heilzame werk. De zielen waren weer voor even gezuiverd en menige kerkganger beleefde na afloop van de mis - nog half hallucinerend van de kwistig rondgezwaaide wierook- een soort van afterparty bij De Beukelaer. Zo ook mijn schoonvader die zijn zondagse kaarttafel voor geen goud wilde missen. 

Mijn schoonvader, ‘Pier’ voor wie hem goed kende, was een opmerkelijke man. 

 Hij volgde zijn hart door op latere leeftijd, zo rond zijn 50-ste, nog een boerenbedrijf te starten en dat van de grond af met succes op te bouwen. Nooit vergeet ik onze eerste ontmoeting. Toen ik de boerenwoning aan de weg naar Neer voor het eerst betrad, stond hij op uit zijn gemakkelijke leunstoel in de keuken en legde zijn brandende pijp even naast zich weg in de koperen asbak, gemaakt van een forse granaathuls uit de tweede wereldoorlog. “Geij zeitj van Mesjtreich huur ich” stelde hij met een stevige handdruk droog vast. Hij ging vervolgens weer in zijn leunstoel zitten, stak rustig en bedachtzaam de pijp weer in de mond en onze eerste conversatie had zijn hoogtepunt beleefd. 

We konden het goed met elkaar vinden. Kort voor de trouwdag van zijn oudste dochter met ondergetekende kwam hij naar onze nieuwe woning in Maastricht om de tuin in orde te maken. Het was een gure novemberdag maar onverdroten werkte hij urenlang gestadig in de tuin door. ’s Avonds bracht ik hem naar huis in een knalgele, open buggy die als bruidsauto moest gaan dienen. Dik ingepakt, het gezicht bedekt met een lange, warme sjaal tot vlak onder de ogen, zat hij onverstoorbaar naast me in het open autootje. De harde wind bemoeilijkte het sturen en de striemende regen maakte het rijden in de donkere avond tot een soort van helletocht. Toen we eindelijk weer in Roggel kwamen, sprak hij de legendarische woorden:

 ”Ich bin mèt ’t vleegmachien gekoume.” 

Daarmee was voor hem de kous af.

Als jonge stadse snuiter leerde ik veel van deze wijze, selfmade man. Zijn kennis, intellect, harde werken en warme betrokkenheid voor zijn omgeving waren voor iedereen een aansprekend voorbeeld. Indertijd leek de wereld overzichtelijker en rustiger en mijn schoonvader was voor mij de exponent van zo’n wereld in balans. Daarin hadden zijn zondagse uurtjes bij De Beukelaer en het bezoek aan de hoogmis een onmiskenbare, vaste plaats. 

De kerk en de kroeg, een hecht en onverbrekelijk duo in onze jeugd. Het Rijke Roomsche Leven van toen is inmiddels verschrompeld tot een rariteit uit het verleden en ook de kroeg van weleer is hard op weg naar een marginale toekomst. Wanneer ik om me heen kijk, dan wordt de spoeling akelig dun. De Oude Smidse in Baexem, D’n Hook in Heythuysen, en de Graaf van Horne in Horn zijn horecazaken die óf al dicht zijn óf problemen met opvolging hebben en dreigen of dreigden te sluiten. Iedereen kent ongetwijfeld in eigen dorp andere voorbeelden. Verdwijnende kroegen en leeglopende kerken zijn kantelpunten met een vroeger leven. Tijden veranderen en onze jeugdjaren glijden weg totdat slechts een nostalgische herinnering overblijft. En ieders klok tikt door, totdat uiteindelijk ook die tijd zal wegglippen.  

Ben Ubachs

Ben Ubachs werd geboren in Maastricht. Hij was journalist, ondernemer en is nu freelance schrijver. Sinds 2013 woont hij in Baexem. Daar kijkt hij met af en toe gefronste wenkbrauwen om zich heen. Mild en humorvol, af en toe ook wat scherper, legt hij in HALLO Magazine zijn indrukken vast en houdt de lezers een spiegel voor. Feiten en fictie vullen elkaar daarbij naadloos aan.