VerhalenLeon Moonen

HALLO Historie: Sagen van Bokkenrijders in Midden-Limburg

Midden Limburg

Uit de opvoering van De legende van de Bokkenrijders van Toneelgroep Maastricht in de maand juni in stadion De Geusselt in de provinciehoofdstad blijkt dat de 18e -eeuwse mysterieuze Limburgse roversbende nog steeds tot de verbeelding spreekt. In dit artikel wordt gekeken welke Bokkenrijdersverhalen er in Midden-Limburg circuleren. Maar eerst even dit. De titel van de spektakelmusical in Maastricht is strikt genomen niet juist. Een legende (van het Latijnse legenda, wat gelezen moet worden) is namelijk een heiligenbeschrijving en heiligen waren de roverslieden natuurlijk allerminst. Kandidaat-leden dienden zelfs een eed af teleggen waarin God werd ingeruild voor de duivel. Een betere titel was De sage van de Bokkenrijders geweest. Een sage is een overgeleverd volksverhaal en stamt af van het Duitse sagen (zeggen); letterlijk wat gezegd is. Het geeft ook precies aan waar de schoen wringt. Bokkenrijdersverhalen zijn mondelinge vertelsels waaraan iedere verteller naar hartenlust fantasie-elementen heeft toegevoegd en die pas later zijn opgeschreven. Het verklaart ook waarom we op verschillende plaatsen in Limburg dezelfde Bokkenrijdersverhalen tegenkomen, zoals het volgende verhaal dat zich in de gemeente Leudal bij boerderij De Koet in Kelpen-Oler zou hebben afgespeeld, maar ook in Venlo wordt verteld rondom de arrestatie van de Bokkenrijder Hulster Heinke.

Schuilplaats
’s Nachts kwamen de Bokkenrijders bij de Koet bijeen om hun rooftochten te beramen. De plaats van samenkomst kwam echter ter ore van de schout van het kapittel van Thorn. Hij trok in de daaropvolgende nacht met een gewapende boerenwacht naar de hoeve en omsingelde het gebouw. In de keuken bevond zich echter een verborgen deur naar een geheime schuilplaats. Bij het minste onraad dook de bende hierachter weg. Toen dan ook de schout aanklopte en de deur geopend werd, was er niemand in de keuken dan de boer en de boerin. En die boer bleek nu niet bepaald betrouwbaar, want toen de gerechtsdienaar vroeg of er soms vreemd volk in zijn huis aanwezig was, antwoordde hij: “Natuurlijk niet”. Maar daarbij wees hij heel verraderlijk naar de verborgen deur. Door een spleet in die deur hadden de Bokkenrijders het gebaar van de boer gezien en wetend dat ze verlinkt waren, riepen ze: “Jij spreekt goed, maar wijst slecht”. De hele groep werd ter plekke in hechtenis genomen. Maar enkele dagen later keerden andere bendeleden terug naar de boerderij om wraak te nemen en verbrandde de verrader levend op zijn erf.

Lift
Niet ver van boerderij De Koet hield eens op een avond een onbekende man, gehuld in een donkere mantel, een voerman uit Ittervoort aan en vroeg of hij mee kon reizen. Vroeger liep er een belangrijke doorgangsweg door dit buitengebied van Kelpen-Oler. Door o.a. de aanleg van de Napoleonsweg en het graven van kanalen zijn eeuwenoude verkeersaders in de loop der tijd afgesneden en zijn er tegenwoordig heel andere hoofdwegen. De voerman had in Leveroy zijn vracht goed kunnen verhandelen en op de succesvolle verkoop had hij een paar borreltjes gedronken. Zo kwam het dat hij pas laat onder een donkere, bewolkte hemel op de terugweg naar huis reed. De voerman stemde toe dat de man met de donkere mantel op zijn kar meereed, al kreeg hij een onbestemd angstgevoel in zijn maag. Roof en plundering kwamen in die dagen immers vaak voor. Vooral eenzame reizigers waren een geliefd doelwit en bangelijk stopte hij de buidel met geld die hij voor zijn vracht had ontvangen nog dieper in zijn jas weg. De onbekende scheen zijn gedachten te kunnen lezen. Toen hij in Grathem van de kar sprong, bedankte hij vriendelijk voor de lift en zei: “Als onderweg iemand je kwaad wil doen, moet je met je pet zwaaien.” Daarop verdween hij in de duisternis. De voerman nam de raad ter harte en vervolgde zijn tocht. En inderdaad: tweemaal sprongen er plotseling gemaskerde mannen uit het struikgewas, klaar om hem te overvallen. Maar telkens draaiden ze zich om zodra hij zijn pet omhoog hief. Toen begreep de voerman dat de onbekende die hij een lift had gegeven, een Bokkenrijder moest zijn geweest — en dat hij uit dankbaarheid het geheime herkenningsteken van de bende had prijsgegeven.

Spaargeld
Het bekendste misdrijf dat de Bokkenrijders in onze regio hebben gepleegd, en waarvan nog gerechtsstukken bewaard zijn gebleven, is wellicht de inbraak met geweld van de kerk en pastorie van Beegden geweest. In dit blad is er al eens eerder over geschreven. Deze roofoverval maakte een herder uit het dorp zo bang, dat hij besloot zijn zuur verdiende spaargeld ergens op de Beegderheide te begraven. Toen zijn vrouw hem vroeg waar hij het geld gelaten had, antwoordde de herder: “Op de hei, recht tegenover de toren van Beegden”. Jaren gingen voorbij en uiteindelijk verdween het gevaar van de Bokkenrijders. De herder wilde zijn schat weer opgraven, maar tot zijn schrik ontdekte hij dat je op bijna elke plek op de heide "recht tegenover de toren van Beegden" staat. Hoe hij ook zocht, hij vond zijn spaarcenten nooit meer terug. En zo ligt de schat daar waarschijnlijk nog steeds. Maar in het algemeen waren de misdrijven van de Bokkenrijders in onze regio niet zo heftig en talrijk als in Zuid-Limburg en concentreerde het zich vooral rondom het fenomeen brandbrief. Een rijke boer kreeg dan een brief waarin een bepaalde som geld werd geëist. Als de geadresseerde weigerde te betalen dan werd gedreigd met het in brand steken van zijn boedel. Dergelijke brieven zijn vooral in het Belgische Ophoven, in de 18e eeuw een enclave van het graafschap Horn, gelegd.   

Spiernaakt
Dat het banditisme, vermoedelijk aangejaagd door misoogsten en veesterfte waardoor de gewone bevolking honger leed en ontvankelijk was voor misdaden, niet alleen in Limburg welig tierde, maar ook in de Duitse landen, bewijst de levenswandel van de beruchte roverkapitein Joannes Bückler, beter bekend als Schinderhannes. Volgens de verhalen heeft hij eens op de vlucht voor de gendarmes bij de pastoor van Horn onderdak gevonden, alhoewel de geestelijke niet wist wie hij eigenlijk in zijn huis had binnengelaten. De gendarmes waagden de dichtbegroeide bossen bij boerderij Waerenberg tussen Horn en Heythuysen, waar de beruchte rovershoofdman zich schuil zou houden, niet in te gaan. Echter één gendarme pochte in een café in Horn dat hij de bandiet desnoods met geweld wel eventjes voor het gerecht zou slepen. Na moed te hebben ingedronken trok hij gewapend met sabel en buks naar de veronderstelde schuilplek van de Duitse bandiet. Dezelfde avond werd Heythuysen opgeschrikt door een paard dat met volle vaart door het dorp galoppeerde alsof het door de duivel werd nagezeten. Op zijn rug zat de gendarme vastgebonden: spiernaakt en hevig bloedend. De boeren wisten genoeg, dit was het werk van Schinderhannes. Voorlopig sloten ze de voordeur hun boerderij veiligheidshalve met een extra grendel af.

Zwavellucht
De laatste kasteelheer van het geslacht Waes van kasteel Borgitter te Neeritter, Baron Philip van Waes, zou in 1759 bij de Oetersebrug tussen Kessenich en Stevensweert zijn doodgeschoten door de Bokkenrijder Goet. Het motief van de dader was niet roof of iets dergelijks maar pure wraak. Enkele maanden eerder was de vader van Goet, een arme handelaar in aarden keukengerief uit het Belgische Tessenderlo, op zijn handelstocht bij de tolpost door de baron, die een reputatie genoot als heethoofd en een diepe minachting voor het lagere volk koesterde, neergeknald omdat hij met een pot wenste te betalen in plaats van geld. De zoon Goet heeft overigens ook niet zijn noodlot kunnen ontlopen. Jaren later werd hij als Bokkenrijder aan de galg opgehangen. De boerderij naast het kasteel Neeritter zou ook in een nacht door de Bokkenrijders zijn geplunderd. De boer zou daarbij zijn gemarteld en in woede moet hij de gemaskerde roverhoofdman hebben vervloekt met de woorden: "De duivel zal je halen". De buit was groot en een knecht van de boerderij werd gedwongen om mee te dragen. Halverwege Kessenich en Ophoven laste de leider van de Bokkenrijders een rustpauze in en ging zitten op het gras. Op hetzelfde ogenblik verscheen achter de struiken een monster met horens op zijn kop en een lange staart, die hem in een houdgreep vastpakte en hoe de hoofdman zich ook verweerde, los kwam hij niet. Na een kort gevecht sleurde het duivelse gedrocht hem mee in de aardbodem, damp en een zwavellucht achterlatend. De overige Bokkenrijders, die het tafereel versteend hadden aanschouwd, wisten niet hoe vlug ze zich uit de voeten moesten maken, zonder nog acht te slaan op hun buit en de knecht. Deze keerde vervolgens met het gestolen goed terug naar de boerderij, waar ze zijn verhaal nauwelijks konden geloven.

Radbraken
De laatste Bokkenrijder is ene zekere Philippus Mertens geweest, die in 1753 was geboren in Heythuysen. Hij was o.a. betrokken bij het schrijven van de bovengenoemde brandbrieven in het Ophovense. Uiteindelijk is hij in Antwerpen terechtgekomen, waar hij werd beschuldigd van een roofmoord op het echtpaar Mathourné, zijn buren. Het proces heeft jaren in beslag genomen, ook door de politieke strubbelingen van die tijd. Na marteling bekende hij zijn misdaad, maar "vrij van ketenen" herriep hij dat weer. Zijn geboortedorp heeft hij nooit meer gezien, want de rechtbank achtte hem schuldig en legde hem de allerzwaarste doodstraf op; radbraken, d.w.z. dat zijn ledematen op een wiel werden gebroken (om op de Dag des Oordeels een wederopstanding te voorkomen), waarna hij werd gewurgd om het lijden te bekorten. Het vonnis werd op 20 september 1793 uitgevoerd en was de laatste terechtstelling op de Grote Markt in Antwerpen. De tijden veranderden, de Fransen met hun nieuwe ideeën over mensenrechten en rechtspraak kwamen eraan. In 1795 verenigden zij het versnipperde Limburgse gewest tot één bestuursgebied, het departement Nedermaas, en daarmee ontviel aan de Bokkenrijders de mogelijkheid om zich te verschuilen in een ander rechtsgebied dan waar zij hun misdrijven pleegden. Tevens zal de hongersnood over het hoogtepunt zijn geweest. De Bokkenrijders verdwenen in de mist van de geschiedenis. Maar af en toe komen zij terug, niet langer als gevreesde schimmen in het duister, maar als onderdeel van ons cultureel geheugen. In verhalen, boeken, toneelstukken en nu zelfs in een spektakelmusical, waar geschiedenis en verbeelding elkaar weer opnieuw ontmoeten.