25 jun 2021VerhalenLeon Moonen

HALLO Historie: De kabouters van de Zeilsterhof in Nunhem

Nunhem / Gemeente Leudal

Schrijver Ton van Reen uit Maasbree heeft in 2002 een zeer verhelderend boek geschreven over de herkomst van de kabouters. In zijn werk 'Klein Volk' betoogt hij dat deze kleine mensen in feite paria's van de maatschappij waren. Meestal personen met wat we tegenwoordig het syndroom van Down noemen, of behept met andere lichamelijke of geestelijke mankementen. Volgens het bijgeloof rustte op deze mensen een duivelse vloek.

Ze werden vaak aan hun lot overgelaten en leefden letterlijk aan de rand van de samenleving.

Mismakingen door inteelt kwamen vroeger vaak voor, omdat door de kleine leefcirkel rondom het dorp meestal binnen de eigen kring werd getrouwd.

In de 19de eeuw hebben sprookjesschrijvers de oude volkslegenden, eeuwenlang door volwassenen onder elkaar verteld tijdens de lange winteravonden, ingepalmd en omverteld tot kinderverhalen, waarin bijvoorbeeld de kabouters en de heksen fantasiefiguren zijn geworden. De kabouter als menselijke verschoppeling is daardoor uit ons collectieve geheugen verdwenen. Om de verloren oerbetekenis van de kabouter te herontdekken, is een bestudering van de oorspronkelijke volkscultuur onontkoombaar.

Probleem is wel dat deze volksverhalen meestal alleen mondeling zijn overgeleverd en pas laat op papier zijn gesteld, omdat de boerenbevolking amper tot niet kon schrijven. Ton van Reen bewaart in zijn archief een verslag van een interview dat landbouwvoorlichter en volkskundige Graad Engels uit Helden op 16 februari 1964 heeft gevoerd met Driek Geenen uit Heythuysen.

De dan 65-jarige Geenen, die ooit aan de gemeenteraadsverkiezing van Heythuysen deelnam met de originele leus: 'Mensen met schop en riek, stem op Geenen Driek', weet zich een verhaal over kabouters te herinneren, dat zijn vader Wullem hem ooit heeft verteld.

Nu moeten we er wel bij vermelden dat Driek Geenen een geboren verteller met een levendige fantasie is geweest,

maar er zitten in zijn verhaal genoeg aanknopingspunten die ons naar de oorsprong van de kabouters kunnen terugvoeren. 

Driek Geenen vertelt dat zijn vader Wullem rond 1865 als knecht op Zeilsterhof in Nunhem heeft gewoond en gewerkt. Het kost ook tegenwoordig geen moeite om een voorstelling te maken van de  geïsoleerde ligging van de boerderij in vroegere tijden. Zelfs nu nog is de hoeve de laatst bebouwde kavel langs de inmiddels verharde weg naar het dorp Neer. De boerderij zelf ligt in het dal van de Zeilsterbeek.

Een nabij gelegen steile helling vormt de overgang naar het hogere akkerveld, waar volgens Geenen sr. ooit kabouters hebben gewoond.

Oudachtig uitziende mannetjes met baarden en slechts 80 cm hoog, zo worden ze in het verslag omschreven. Ook uit de andere volksverhalen blijkt duidelijk dat kabouters een voorkeur hadden voor afgelegen boerderijen. Kabouters hielden niet van pottenkijkers en andersom werden woonplaatsen van de kabouters door de goegemeente als 'unheimisch' ervaren.

Toch was er meestal een ruileconomie tussen de kabouters en de bewoners van zo'n afgelegen hoeve. Voor het verrichten van boerenwerkzaamheden zoals ploegen en dorsen ontvingen de kabouters als tegenprestatie eten en soms ook kleren. Een typisch kabouterklusje was het poetsen van de potketel. Die hing altijd in het vuur en raakte dik aangekoekt. Tegenwoordig wordt wel eens tegen iemand die treuzelt om een vervelend en saai werkje uit te voeren als aansporing gezegd: de kabouters komen het niet doen. Vroeger was dat geen probleem. Deze dienstenruil vinden we ook in het verhaal van Geenen terug.

Twee kabouters komen op de boerderij om de ketel te lenen en vragen dit met de woorden:

'Boor Lepel, lientj os eure kaopere kaetel. As wé klaor zeen en 't haet os good gesmaaktj, dan bringe we uch de kaetel trök gesjoord en volmaaktj.'

(Boer Lepel leen ons uw koperen ketel, als wij klaar zijn en het heeft goed gesmaakt, dan brengen wij u de ketel terug , geschuurd en heel). Uit het verhaal blijkt dat de relatie tussen de boer van de Zeilsterhoeve en de kabouterkolonie opperbest is geweest. De boer ging zelfs regelmatig op visite. Hij diende dan wel bij de mannetjes plaats te nemen op een veel te klein stoeltje en koffie te drinken uit een kopje van een poppenservies. Maar van een dergelijke hartelijke relatie is in de volksverhalen lang niet altijd sprake. De kabouters waren, zoals gezegd, erg gesteld op hun privacy en hadden het, heel begrijpelijk, niet zo begrepen op de mensen die hen hadden verstoten. Bespieders werden vaak bestraft met een plotselinge blindheid, want volgens het volksgeloof bezaten kabouters toverkracht. De vriendelijkheid van de kabouter is een mythe van de 19de -eeuwse sprookjesvertellers.

Ondanks de goede verstandhouding besloten de kabouters om op een dag het bos bij de Zeilsterhoeve te verlaten. Volgens Geenen gebeurde dat, nadat ze de geleende ketel hadden teruggebracht, met de woorden:

'We bringen uch de ketel weeromme. Ten hoeegste bedanktj mer we kome noeëts mieër trök!' Naar de reden van hun vertrek kunnen we slechts gissen. Misschien hadden ze op een andere boerderij een betere deal afgesloten. Misschien was in de kerktoren een nieuwe klok opgehangen en beierde het klokkengeluid nu over hun kabouterhol.

De kabouters hadden namelijk een gruwelijke hekel aan de kerk, die hen met zoveel vijandigheid bejegende en ze weigerden in de zogeheten klokkengang te wonen. Nogmaals, we weten het niet.

We weten wel wanneer ongeveer de kabouter uit onze samenleving is verdwenen. Dat was aan het einde van de 19de eeuw met de opkomst van inrichtingen voor gehandicapten, zoals St. Joseph en St. Anna in Heel. Deze instellingen hebben uiteindelijk voor een humane opvang van lichamelijk en geestelijk gebrekkige medemensen gezorgd. Bovendien werd de landbouw in een razend tempo gemechaniseerd, waardoor aan de kleine hulpjes geen behoefte meer was en aan de samenwerking de economische basis ontviel.

Opmerkelijk is dat in onze tijd de sociale opvangfunctie van de landbouw weer een beetje is teruggekeerd, want met enige goede wil is de huidige zorgboerderij als een verre nazaat van die vroegere kabouterhoeve te beschouwen. 

 

Het verhaal van de kabouters van Zeilster staat beschreven in de boeken 'Klein Volk' van Ton van Reen en 'Rondj Groaveberg en Krommenets' van Piet Abrahams