VerhalenRosemarie Neuen

Van water tot vrouwenmoestuin. Waterput voor waterput helpt Stichting Jamorai Gambia Foundation dorpen vooruit

Roggel - Gambia

Judith en Wilbert Sluiter wonen en werken in het Roggelse en Nederweertse Midden-Limburg, maar hun blik reikt al jaren verder – naar Gambia. Die band met Afrika loopt als een rode draad door Judiths leven. Haar peettante woonde in de jaren zestig als non in Malawi. Toen zij in 1971 terugkeerde naar Nederland, bleef ze het land ondersteunen. Ze wilde altijd nog een keer teruggaan, maar haar gezondheid bemoeilijkte dat.

In 2003 reizen in haar plaats de toen pasgetrouwde Judith en Wilbert naar Malawi. "We hebben haar toen opgebeld en gezegd: 'We zijn in het klooster en staan nu in jouw voormalige kamer,'" vertelt Judith. Het jaar daarop ging ze er opnieuw heen, ditmaal mét haar peettante en zusje. Jarenlang steunde het echtpaar Sluiter financieel het lokale ziekenhuis, totdat het een grote erfenis uit de Verenigde Staten ontving en uit de financiële zorgen was.

Een balletje dat ging rollen

Maar Afrika kwam terug in hun leven. Zo'n vijf jaar geleden werden ze benaderd door een oude vriend die regelmatig in Gambia kwam. Hij hielp daar onder andere een basisschoolleraar die sterk was in social media en fondsenwerving. Maar de hulp was informeel en ad hoc. Het idee: die steun professioneler organiseren via een stichting. "Van daaruit is het balletje echt beginnen te rollen," vertelt Judith. "We zijn steeds meer gaan doen en hebben uiteindelijk ook een stichting opgezet." Zo ontstond Stichting Jamorai Gambia Foundation. Wilbert, met onder meer bestuurservaring als voormalig voorzitter van alle huisartsen in de regio, werd gevraagd deze mee te helpen opzetten.

Water als levensader

In het gesprek komt één element steeds terug als basisvoorwaarde voor vrijwel alles: schoon water. 

De stichting helpt waterputten en waterprojecten in dorpen te realiseren. Wilbert schetst het effect: "Eén zo'n waterput bedient vierhonderd mensen." Het resultaat mag er zijn. "Ongeveer 1 procent van de Gambiaanse bevolking (ca. 2,9 miljoen inwoners) drinkt nu water uit onze putten," schat Wilbert. 

Hij legt uit waarom de afstand tot water zo'n verschil maakt: "Als iemand vijfhonderd meter moet lopen voor water, dan drinkt iemand ervan en kookt ermee. Niet meer. Maar als iemand maar vijftig meter hoeft te lopen, kan er ook een moestuin aangelegd worden, want het water ligt dan binnen bereik. Je kunt op en neer lopen om je plantjes water te geven."

Die redenering werd hun kompas. Watervoorziening is niet alleen een kwestie van drinken, maar raakt direct aan voedsel, gezondheid, tijd en zelfs onderwijs. Het water wordt op relatief beperkte diepte – achttien meter – uit de grond gehaald.

 "Moet je je voorstellen: achttien meter met de hand gegraven," zegt Wilbert. "Dat is niet makkelijk, maar wel haalbaar. En elke put maakt een groot verschil."

Gambiaanse namen

In eerste instantie twijfelden Judith en Wilbert of ze wel naar Gambia moesten gaan. Ze zagen het prijskaartje van de reis en dachten: dat geld kun je ook vanuit hier direct aan projecten besteden. Maar hun contactpersoon drong voorzichtig aan: je moet het land en de context voelen om de juiste keuzes te maken. In 2023 reisden ze daarom uiteindelijk toch naar Gambia. Bij hun eerste bezoek verbleven ze nog in een toeristenresort aan de kust, iedere ochtend werden ze opgehaald om projecten van de stichting te bezoeken.

Bij hun meest recente bezoek, in januari, kozen ze juist bewust voor een lokaal verblijf in het dorp Wassadou, dichter bij de mensen en het dagelijkse leven. "We wilden nooit quasi-koloniaal gedoe, maar bij aankomst in het dorp verwelkomden vijftig vrouwen in prachtige kleren ons dansend en klappend. We zijn daar meteen een soort geadopteerd," vertelt Wilbert. De Sluiters kregen zelfs Gambiaanse voor- en achternamen, vernoemd naar de twee oudste bewoners van het dorp: Dembo (89) en Fatou (84). "Als we nu WhatsApp-contact hebben, worden we ook aangesproken met onze Gambiaanse namen."

Wie trouwens 'het dorp' zegt, bedoelt zelden losse huizen die aan een doorgaande straat liggen. De inwoners wonen in zogeheten compounds bij elkaar. Judith legt uit dat een compound vaak uit een familie bestaat: "Grootouders, kinderen en kleinkinderen die in één, twee of drie huizen wonen met golfplaten daken, omheind met een poort."

Onder de mangoboom

In het dorp werden ze uitgenodigd voor vergaderingen rond de Bantaba, de traditionele ontmoetingsplek, in dit geval een grote mangoboom met enorme schaduw. Daar werd besproken wat er nodig was en wat prioriteit verdiende. "We keken met zijn allen wat er moest gebeuren om het dorp uiteindelijk uit de armoede te trekken," zegt Wilbert.

Voor die manier van werken is bewust gekozen. Als stichting willen ze scherp blijven op machtsverschillen en op het risico om kant-en-klare oplossingen door te duwen. Het woord koloniaal valt meerdere keren in ons gesprek als voorbeeld voor hoe het vooral niet moet. "Wij zijn continu op onze hoede dat we niet te veel betuttelen," stelt Wilbert. De les die ze meenamen: niet beginnen bij wat zij als logisch ervaren, maar bij wat het dorp zelf als urgent benoemt.

 

De vrouwenmoestuin

In het dorp kwam één onderwerp als rode draad naar boven: water en de vrouwenmoestuin. Dé plek waar voedselzekerheid, zelfstandigheid en dagelijkse routine samenkomen. Wilbert beschrijft de organisatie: "Het is gebruikelijk dat er een stuk grond beschikbaar wordt gesteld. De vrouwen hebben dan allemaal hun eigen stuk binnen die hectare."

Judith schetst de taakverdeling. "De vrouwen zorgen voor de groenten voor het dagelijks eten. De mannen hebben buiten het dorp een aantal hectaren waar ze met z'n allen gerst of couscous verbouwen, voor de verkoop. De vrouwen werken in het dorp, dicht bij huis."

De vrouwenmoestuin functioneert op meerdere niveaus. Voor sommige gezinnen is het letterlijk basisvoedsel. "De vrouwen die echt niks hebben omdat hun man geen werk heeft, eten het zelf op," vertelt Wilbert. Als er wél iets over is, wordt het geruild of verkocht. Zo ontstaat een klein stukje economische ruimte.

Maar de vrouwenmoestuin is kwetsbaar. Water is niet altijd beschikbaar. "Soms hapert het en dan hebben ze drie dagen geen water," zegt Wilbert. Dat betekent: geen irrigatie, minder oogst, direct minder eten of inkomsten. Daarom staat verbetering van de watervoorziening bovenaan de prioriteitenlijst. Daar komt ook iets heel praktisch bij: bescherming.

 "Er moet een goed hek omheen staan, want anders zijn de geiten de grootste vijand van de moestuin."

 

Van kliniek tot markthal

In het dorp stond een kliniek voor vijfduizend inwoners. Althans, het gebouw stond er, met tegels op de vloer, maar zonder ramen, deuren, stromend water of elektriciteit. Stichting Eén Aarde uit het Brabantse Asten sponsorde tienduizend euro waarmee de volledige watervoorziening werd gerealiseerd: boorgat, watertoren, zonnepanelen, een batterij van drieduizend euro, airco's in de apotheek en het laboratorium, ventilatoren. Nu is de kliniek volledig operationeel. Een Nederlandse vriend, voormalig ICT-chef in het Dijkzigt Ziekenhuis, gaat de kliniek runnen. Hij ontwikkelde speciaal hiervoor een geïntegreerd patiëntensysteem.

Het dorp denkt echter niet alleen in nood, maar ook in ontwikkeling. Een grote gezamenlijke wens van alle inwoners is een markthal, bedoeld als ontmoetingsplek waar handel en voorzieningen samenkomen. Het dorp zamelde zelf al vijfduizend euro in voor dit doel. Het is de bedoeling dat de markthal zonnepanelen, wateraansluiting en een graanmaalmachine krijgt, zodat mensen uit de omgeving hun graan kunnen laten malen. "Mensen die vanuit de omliggende dorpen naar de kliniek komen, kunnen dan ook in die markthal hun boodschappen doen. Het is gewoon een heel slim idee," aldus Wilbert.

Kleine stappen, grote impact

In het dorp draait het uiteindelijk steeds om dezelfde randvoorwaarde: water dat betrouwbaar beschikbaar is. Voor huishoudens, voor de school, voor de plekken waar voedsel wordt verbouwd. De lokale school heeft een watertank van duizend liter die om elf uur 's ochtends al leeg is. Het plan is een grotere tank, zodat de school niet halverwege de dag dicht hoeft.

Het werk van Jamorai zit niet in het overnemen, maar in het mogelijk maken. Zorgen dat de basis klopt, zodat plannen die al in het dorp leven, ook echt kunnen landen. De oplossingen zijn vaak klein en praktisch: extra opslag, betere verdeling, een stap in watervoorziening waardoor een dorp niet steeds hoeft te schipperen. "Met weinig inspanning is daar gewoon veel te bereiken," zegt Wilbert.

 

Verslaafd aan Gambia

Het werk voor de stichting heeft hun leven veranderd. Judith lacht.

 "Toen we na ons meest recente bezoek weer terugkwamen in Roggel dacht ik: wat doe ik hier? Hoe snel kan ik terug?"

 Wilbert knikt instemmend. "Er is geen dag voorbij gegaan dat ik er niet minimaal een uur mee bezig was sinds we terug zijn. Een gevoel van: wat kan ik vandaag nog doen? Met wie kan ik nog meer netwerken?"

"Veel mensen die in Gambia werken en dingen doen, zeggen allemaal hetzelfde: je raakt verslaafd, je verliest je ziel aan het land," benadrukt Judith.

 "Dat is bij ons gebeurd. De mensen in dat dorp hebben echt wel ons hart gestolen."

Wil je het werk van Jamorai Gambia Foundation steunen? Een donatie helpt mee om projecten als waterputten in dorpen mogelijk te maken. 

Doneren is mogelijk via jamoraifoundation.com/donation of per bank: IBAN NL47TRIO0320592146 t.n.v. Stichting Jamorai Gambia Foundation.

KvK 81258283 · RSIN 862022733